PASSIE VOOR DE PATIËNT. WERKEN MET KANKER – MANON HUIZING

Op vrijdag 16 juni 2017 presenteerde WILLEMS UITGEVERS het boek Passie voor de patiënt. Werken met kanker van oncologe Manon Huizing.
Gisteren was er flink wat volk in het Zorghotel van het UZA in Edegem. We overdrijven niet als we zeggen dat er meer dan driehonderd mensen opdaagden voor Manon Huizing. Ik geef bij deze een voorproefje mee van het boek en pluk een stukje uit mijn eigen verhaal omtrent ‘de ziekte’. Inderdaad: ik heb al tien jaar kanker. Vandaag worden één op drie mensen in België en Nederland in hun onmiddellijke omgeving met dit vervelende ‘personage’ geconfronteerd.
Dokter Manon Huizing, beste lezer van deze blog, redde mij het leven. Dat is een vaststaand feit. Deze week zullen verschillende verhalen over en met haar in de media verschijnen.

“Het was een donkere decemberdag in 2006 toen ik deze lichtjes lawaaierige en prettig gestoorde oncoloog voor het eerst zag opduiken in mijn bestaan. Met een boodschap die me, ondanks het feit dat ik onder de morfine zat, toch van mijn bed bliksemde: kanker.
Het moet ongeveer dag negentien van mijn ziekenhuisverblijf zijn geweest. De vorige achttien dagen was ik compleet binnenste buiten gekeerd maar een diagnose viel er niet. Terwijl die toch al langer duidelijk was. Ik lag op een verkeerde afdeling en ik begreep pas later van Manon dat ze achter de schermen een klein oorlogje aan het voeren was om mij te laten overbrengen naar waar ik hoorde te zijn: ‘oncologie’. Want ik had kanker, dat zag de spreekwoordelijke blinde. Maar niet de artsen die mij op dat ogenblik behandelden. Manon zou me die avond voor het eerst echt spreken. Mijn vrouw Leen en ik zaten te wachten op haar komst. Ze kwam binnen, bekeek ons langdurig en zweeg. Toen sprak ze de woorden uit: ‘Het is niet goed.’ Ze toonde ons de botscan, zonder commentaar. En dan zagen we hoe diep die kanker zich in het lichaam had genesteld. Nestelen zeg ik, maar kerven is het betere woord: als een zwarte pestlijn door mijn hele geraamte. Manon vertelde pas veel later hoe ze zich ergerde aan haar collega’s die weigerden om mij te laten overbrengen. Ze verborg tegenover ons haar woede. Ik citeer haar hier even uit een gesprek dat we onlangs met haar voerden: ‘De medicatie stond niet op punt, terwijl je barstte van de pijn. Ze stuurden je zonder fatsoenlijke begeleiding naar de scanner, zodat je van pure uitputting in elkaar stortte en ik je letterlijk diende op te rapen. Ik liep met veel artsen keet te schoppen. Ze weigerden een botversterkend middel toe te dienen terwijl er geen bot meer in je lichaam was dat niet onder de aantasting leed. Er restte ons geen tijd meer want het bot kon breken of het beenmerg kon gaan falen. Mijn baas zegt dan altijd: “Als je in ons vak haast heb, ben je eigenlijk al te laat.” Zo voelde het ook aan.’
Op die donkere decemberavond van 2006 kregen, we na bijna twintig dagen van hier naar daar te zijn gestuurd, dus voor het eerst fatsoenlijk antwoord op onze vragen. Ondanks het harde verdict dat Manon ons gaf, deed deze kennis van de feiten en haar eerlijkheid ons toch deugd. Want we voelden dat ze voor ons tot het uiterste wilde gaan. We spraken onszelf die avond voor de eerste keer écht moed in vooraleer Leen – de vrouw van mijn leven sinds 1981 maar de vonk sloeg al een eerste keer over in 1971, bij een bezoek aan show in een circustent van televisiefiguur ‘Nonkel Bob’ – huiswaarts reed, van de stad naar de Kempen. Voor de verdomde negentiende opeenvolgende keer, in haar eentje, naar onze kinderen Senne (14) en Charlotte (12). Ik bleef achter op die vervloekte ziekenhuiskamer, vertwijfeld door verdriet, vechtend tegen de opkomende woede die ik op dat moment volledig in mij los liet. Ik had zin om mijn baxters tegen de muur te gooien. I hate you San Quentin zong Johnny Cash over de beruchte gevangenis. Ik haatte het ziekenhuis.”

Raf Willems, uitgever

No Comments

Post a Comment